Zoeken
  • Dr. De Deurwaerder

Nationale selectiedag 14/09/16: vanwaar al de geblesseerden?


Dr. De Deurwaerder Ronald


Introductie


Op 14.09.16 was het nationale selectiedag U15, van de 36 uitgenodigde spelers waren er tien gekwetst. Twee spelers ten gevolge van een doorgemaakt contact letsel, de andere acht ten gevolge van een spierletsel. Zeggen en schrijven betreft het dus 22 % van de opgeroepen spelers dewelke niet konden participeren door een spierletsel.

We moeten ons dan ook de vraag durven stellen of al onze inspanningen wel het beoogde resultaat hebben, zeker in het licht dat het hier spelers betreft van topclubs die alle middelen ter beschikking hebben en ook inzetten om hun talenten op en top te begeleiden en blessurevrij te houden.

Ik heb geprobeerd in de wetenschappelijke literatuur de basisideeën terug te vinden dewelke volgens wetenschappelijke testen verzameld zijn. De idee dus van het waarom een oefening, hoe een trainingsvorm ons kan helpen in de zoektocht naar minder blessures en betere prestaties. Het is dikwijls zeer moeilijk de gevonden resultaten te interpreteren en ze te vertalen naar de praktijk.


Spierletsels zijn de meest tijdsverslindende blessures in de sport. Bij voetbal is de hamstring de meest gekwetste spier ten gevolge van een verrekking of scheur. Gemiddeld maakt een speler 0.6 spierletsels door per seizoen waarvan 37 % gesitueerd zijn ter hoogte van de hamstrings. De gemiddelde sportafwezigheid is 14.9 dagen en een her-blessure wordt gezien in 16 % van de gevallen hetgeen resulteert in een (zeer) langere afwezigheid van het sportveld.




Enkel rugby is ‘straffer’ wat blessures betreft dan voetbal. Elite turners, die nochtans ook het maximum van hun lichaam eisen, schitteren door een quasi afwezigheid van letsels.

Vaak zien we talenten afhaken of verdwijnen naar “lagere regionen” door chronische blessures gedurende hun groei en voetbalontwikkeling Er wordt gigantisch ingezet en geïnvesteerd in ‘core-stability’, loopdrills, alternatieve trainingsmethodes (kickboxing, judo, …), recuperatie methodes, GPS, … ter verbetering en ter preventie van prestaties en blessures. Niettegenstaande al deze investeringen zijn we er nog steeds niet in geslaagd het percentage van spierblessures terug te brengen.


Zijn onze voetballers dan watjes, komt het door het spelletje voetbal dat we zoveel kwetsuren kennen, schort er iets aan onze visie qua begeleiding of interpreteren we verkeerdelijk de beschikbare wetenschap? Dit zijn vragen die we ons moeten durven stellen, zonder gezonde zelfreflectie kan er geen vooruitgang zijn enkel stagnatie en denken dat …

Men kan zeggen wat men wil over Christiano Ronaldo, feit is en blijft dat hij een wereldster is en weinig of niet gekwetst is. Zijn persoonlijke dokter, Dr. Noronha verklaart dat dit fenomeen te wijten is aan het feit dat Ronaldo een gans team van specialisten ter beschikking heeft die de wetenschappelijke literatuur uitpluist op zoek naar nieuwe ideeën en inzichten in training, voeding, recuperatie etc.. Hij brengt de voorhanden zijnde wetenschap praktisch in de praktijk. De kwetsuren van Ronaldo zijn onder te brengen in ‘contact’ blessures, niet in spontane spierscheuren of verekkingen zonder contact met een tegenstander. Ronaldo kan zijn talent blijven etaleren, dag in dag uit, omdat hij weinig of niet ‘afwezig‘ is van het sportgebeuren ten gevolge van ‘spontane’ blessures. Het niet afwezig zijn op het sportveld door langdurige kwaaltjes, letseltjes of spierproblemen is DE bijdrage voor de creatie van een superster en het te blijven: het alomtegenwoordig aanwezig zijn aan het sportfirmament zonder langdurige afwezigheid en maximale prestaties kunnen blijven etaleren.


Dit feit, ongeacht wel of niet een voorstander te zijn van Ronaldo, moet ons tot nadenken stemmen.


Waarom is het één supertalent, die er ook alles voor doet, wel dikwijls gekwetst en hij niet? Er zullen vele theorieën aan de toog in het cafetaria voorhanden zijn, de één al straffer dan de andere maar wat zegt de wetenschap?


Naar de beschikbare wetenschappelijke literatuur kunnen we op twee manieren kijken.



1. Praktijk versus wetenschap:

We kunnen onze ‘praktijk’ toetsen aan wat voorhanden is in de wetenschappelijke literatuur. Quasi alles is onderzocht of wordt onderzocht. Door de wetenschappelijke artikels te raadplegen kunnen we onszelf controleren, onszelf corrigeren, en onze praktijk verfijnen op basis van onderbouwde wetenschappelijke knowhow. We kunnen nagaan of we wel zo goed bezig zijn als we zelf denken en onszelf bijsturen waar nodig is, dit op alle gebied. De vraag die we ons stellen moeten: doen we dit wel op regelmatige basis en zijn we kritisch genoeg ten op zichte van ons zelf?

2. Wetenschap versus praktijk:

De theoretische modellen, ons verschaft door onderzoek trachten te interpreteren en te implementeren in onze praktische oefeningen en training, dus wetenschappelijke onderbouwde trainingstechnieken en inzichten trachten in te bouwen en te verwerven in de dagdagelijkse realiteit om een maximaal resultaat te bekomen. Is dat altijd evident? Nee, dat is het simpele antwoord. De theoretische modellen gaan altijd uit van de ideale laboratorische omstandigheden, de praktijk daarentegen kent geen ideale omstandigheden m.a.w. de overdracht van het theoretische naar de praktijk vergt interpretatie en vindingrijkheid met de visie van gezond ‘boerenverstand’.

Sprinten, lopen en voetbal

Wat we vinden in de wetenschappelijke literatuur over DE ideale sprint:

Het theoretische sprintmodel





De mens kan op twee manieren zijn loopsnelheid verhogen: de paslengte kan vergroot worden en/of de pasfrequentie kan verhoogd worden. Het versnellen tijdens het lopen kan dus bekomen worden door enerzijds de paslengte en anderzijds de pasfrequentie te verhogen. De paslengte en pasfrequentie zijn afhankelijk van elkaar, ze zijn omgekeerd evenredig met elkaar verbonden dit houdt in dat als de pasfrequentie verhoogt de paslengte verkleint en omgekeerd. De loopsnelheid kan dus enkel verhogen als de paslengte niet verkleint bij het verhogen van de pasfrequentie en omgekeerd, er is dus een dynamisch evenwicht tussen beiden noodzakelijk. Het ene mag niet ten koste gaan van het ander (verhogen frequentie en verkleinen paslengte). Dit in de praktijk toepassen is niet zo evident.


De mens gebruikt verschillende strategieën om zijn snelheid te verhogen:

  • Bij lage snelheden (of vanuit stilstand) wordt de snelheid verhoogt door grote grond-contact krachten te ontwikkelen dewelke resulteren in het vergroten van de paslengte. De contacttijd met de grond is nog lang genoeg zodat de betrokken spiergroepen tijd hebben om grote krachten te kunnen ontwikkelen om het lichaam te ‘liften’ en te laten versnellen vanuit de steunfase. Er is ‘relatief’ meer tijd voorhanden om de spieren maximaal hun krachtontwikkeling te laten uitoefenen omdat er een langere contact-tijd met de grond aanwezig is (actie – reactie). Tijdens de zweeffase is er geen contact met de grond en kan er dus geen voorwaartse kracht door de spieren ontwikkeld worden omdat er geen steunoppervlak, de aarde, voorhanden is waartegen men zich kan afduwen, er is geen actie – reactie mogelijk (geen afduw oppervlak of steun oppervlak). De spieren kunnen enkel gebruikt worden tijdens de zweeffase om zo snel mogelijk weer een contact te hebben met een ‘afduw’ oppervlak, dus ‘zoeken, grijpen naar de grond voor een kracht actie te kunnen ontwikkelen.

  • Bij hoge loopsnelheden worden de grond contacttijden te klein voor het te kunnen ontwikkelen van grote grond reactiekrachten door de spieren. De loopsnelheid wordt nu verhoogd door een verhoging van de pasfrequentie i.p.v. het vergroten van de paslengte, de benen ‘molenwieken’ als het ware zo snel mogelijk door de lucht.

  • Bij het starten en lage snelheid zijn het voornamelijk de enkel spieren: Soleus en Gastrocnemicus groepen (kuitspieren) die instaan voor het verhogen van de paslengte. De heupspieren: Iliopsoas, Gluteus Maximus en Hamstrings zijn verantwoordelijk voor het behouden en ontwikkelen van hogere snelheden.

  • De mogelijkheid tot versnellen (‘dash’) is de kritische bepalende factor in sprinten. Er kan met maximale kracht versneld worden gedurende vijf tot zeven seconden. Vanuit een ‘hangende’ houding wordt er overgegaan naar een rechte lichaamshouding bij maximale snelheid. De paslengte vergroot, de steunfase vermindert en de zweeffase verlengt tijdens het verhogen van de snelheid. De ‘upright’, rechte houding wordt gedurende de ganse sprint behouden dit om de ledematen de mogelijkheid te geven hun maximale, anatomische bewegingsbogen te kunnen ontwikkelen binnen hun fysiologische en biomechanische grenzen.

  • Het verhogen van de snelheid tijdens de start is afhankelijk van krachtige extensie van alle grote spiergroepen van de onderste ledematen. Bij hogere snelheden ‘draaien’, free-wheelen de benen als het ware rond het heupgewricht. Maximale snelheid is sterk individueel en neuro-musculair bepaalt en begrensd.


Hoe brengen we de wetenschap over in de praktijk ?

Module coördinatie & looptechniek & proprioceptie & … opleiding Trainer UEFA A & UEFA B Vlaamse Trainerschool

De looptechniek, de ideale wereld van het laboratorium, het theoretische model wordt haarfijn beschreven in onze theoretische lessen: hak-bil, grijpen naar de grond, voorbereiden voetplaatsing etc. Het ideale sprintpatroon wordt perfect theoretisch overgebracht. We zijn ons ervan bewust dat lopen in voetbal niet gelijk staat aan lopen in atletiek maar dat het atletiekmodel als basis dient voor het ontwikkelen van een goede sprinttechniek in het voetbal. Het aanleren van een goede looptechniek is cruciaal in onze opleiding: efficiënter voetbal, minder blessures, ontspannen tijdens de inspanning. Kortom er zijn enkel voordelen verbonden aan een goede looptechniek en er is dus nood om een solide basis te leggen tijdens de leeftijd van 7 – 12 jaar.

De vraag die we ons echter stellen moeten is: geven we voldoende informatie mee, een idee, een praktische gids over hoe we het theoretisch model in de praktijk kunnen benaderen? Specifieke richtlijnen en loopinstructies ? Geven we ook mee wat ‘kicking en lopen’ kan doen met onze spieren en houding in de praktijk en hoe we dit kunnen verbeteren en/of voorkomen?



Wat vinden we terug in de praktijk uit de wetenschap?


Onze trainingen zouden er dus gericht moeten op zijn om via specifieke oefeningen, specifieke trainingsstof het ideale theoretische model in de praktijk zo dicht mogelijk te benaderen. Dit om de eenvoudige reden dat het ideale model ons niets dan voordelen biedt (minder blessures, sneller op de bal, economischer voetballen, minder vermoeidheid, etc..).




In de ‘ideale’ wetenschappelijke wereld wordt het sprintmodel steeds voorgesteld met een ‘rechte’ rug en de ideale hoeken van het bekken zodat steeds de maximale bewegingsuitslag van de onderste ledematen bekomen wordt. In de praktische wereld is onze wervelkolom geen rechte, stijve kolom met vooraf ingestelde ideale hoeken voor maximale beweging van de ledematen. De wervelkolom heeft drie ‘scharnierpunten’ dewelke de ideale hoeken van bewegen sterk beïnvloeden: de overgang tussen hals – romp, overgang tussen romp – onderrug en de overgang onderrug en bekken (waar de heupen – benen hun oorsprong in vinden). De ‘hoeken dewelke de verschillende rug segmenten met elkaar maken hebben een grote invloed op de stand van ons bekken en aldus een zeer grote invloed op de biomechanische en anatomische bewegingsuitslag van de benen.



De theorie in de praktijk in atletiek

In de atletiek slaagt men erin om het theoretische model om te zetten naar de praktijk. Minimale lordose ( naar achter kantelen van de onderrug ) en aldus de grootst mogelijke ruimte creërend voor een maximale bewegingsboog van de onderste ledematen. De spieren werken allen binnen hun fysiologische grenzen. Er is geen overstretching, geen overcompensatie van de spieren aanwezig.

De grootst mogelijke paslengte en de hoogst mogelijke pasfrequentie kunnen bereikt worden. De atleten zijn symmetrisch getraind en ontwikkeld. De jarenlange training van loopdrills zijn geautomatiseerd en geoptimaliseerd tijdens de inspanning. De ontspanning tijdens de inspanning is feit. Het sprinten is free wheeling geworden. 




Theorie in de praktijk in voetbal

Observaties


Nationale selectie U15, 14.09.16


Top Spelers





De theorie, praktisch omgezet in voetbal De theorie, praktisch omgezet in atletiek



Als we naar de looptechniek van onze voetballers kijken kunnen we niet anders dan besluiten dat ze zeker het ideale , theoretische model niet benaderen. Volgens de literatuur bepaalt het hoofd in grote mate de kromming van de wervelkolom. De spelers lopen praktisch altijd en praktisch allemaal met het hoofd in hyperextensie (naar achter gericht, opwaarts & achter) hetwelk blijkbaar geïnduceerd en geaccentueerd wordt door het spel: het kijken naar de posities van de medespelers, tegenstanders en de bal lokt blijkbaar deze hoofdhouding uit. Een hyperextensie veroorzaakt een hyperlordose ter hoogte van het bekken. Dit is heel gemakkelijk te controleren, beweeg uw hoofd naar achter en voel de kromming die ontstaat ter hoogte van de wervelkolom. Door de verhoogde kanteling van het bekken achterwaarts, verkleinen de maximale bewegingshoeken van de benen en verkleint de paslengte op biomechanische gronden (het ideale model gaat uit van een neutraal bekken, quasi loodrecht ten op zichte van de grond). De heupen komen hierdoor dichter bij de grond en de bewegingsuitslag verkleint, zo simpel is het. We kunnen ons afvragen hoe dit komt daar dit fenomeen een ganse cascade in beweging zet met een zeer nefaste invloed op de prestaties en blessurepreventie.



Conclusie: we hebben geen voordeel van onze ‘goede’ looptechniek daar we de basis, het idee missen en zeker niet toepassen


Niettegenstaande we gigantisch investeren in looptrainers, core-oefeningen, kijken en kopiëren van oefeningen uit andere sporten slagen we er blijkbaar niet in om het theoretische ideale model van sprinten te benaderen in voetbal. Vergeten we te kijken naar de wetenschappelijke input die ons voorhanden is en vergeten we rekening te houden met deze wetenschap in onze training opvatting? Mijn inziens is het antwoord zeer simpel: Ja. We vergeten enkele specifieke zaken, eigen aan het spel voetbal en wat dit doet met ons lichaam en de impact op ons lichaam ervan.

Wat leert ons de wetenschap over de impact van trappen en wat veroorzaakt het in ons lichaam?

Welke ‘droge‘ feiten vinden we in de wetenschappelijke artikels en welke impact hebben ze?

  1. Voetbal, trappen tegen een bal, veroorzaakt een overontwikkeling en verhoogde spanning (hypertrofie) van de rechte buikspieren (m.Rectus Abdominus) ter hoogte van de aanhechting op het schaambeen aan de DOMINANTE zijde: liesregio.

  2. Voetbal, trappen tegen een bal, veroorzaakt een overontwikkeling (hypertrofie) van de rechte buikspieren ter hoogte van de oorsprong (ribrooster) van de NIET-DOMINANTE zijde.

  3. De verschillende segmenten van de rechte buikspieren ( six-packs) hebben dubbele bezenuwing, individueel per segment en gemeenschappelijk, ze kunnen dus als entiteit afzonderlijk werken of als geheel samentrekken.

  4. De ‘six packs’ kunnen individueel een grotere vermoeidheid kennen dan hun ‘geburen’.

  5. Trappen tegen een bal veroorzaakt een overontwikkeling van de grote heupbuiger ( m. Ileo – psoas) van de DOMINANTE zijde.

  6. Een bal wegtrappen veroorzaakt een overontwikkeling van de grote spiergroepen aan de voorkant van het dominante been (Quadriceps en voetstrekker ( m.Tib.Anterior)).

  7. Een bal wegtrappen veroorzaakt een zeer grote overontwikkeling van de heupbuiger ( psoas) van het dominante been met als gevolg een VERHOOGDE HYPERLORDOSIS ( naar achter gericht bekken).

  8. Bij observatie van jeugdspelers zien we de hyperlordose toenemen gedurende twee opeenvolgende voetbalseizoenen.

  9. Gedurende de steunfase van het trappen ontstaan er grote krachten ter hoogte van de knie en heupgewrichten dewelke een tendens hebben om de HAMSTRINGS UIT TE REKKEN.

  10. Een verhoogde heupflexie gaat gepaard met grotere piekkrachten zowel in isometrische, concentrische en excentrische contracties en verlengen de hamstrings (rekken uit) boven hun natuurlijke grenzen met verhoogde kans op een blessure.

  11. Een hyperlodotische houding is geassocieerd met een verhoogde kans op een hamstring letsel.

  12. De grote rugspieren ( m.Erector Spinae) zorgen voor het dynamische evenwicht tijdens het steunen op het niet dominante been tijdens het trappen. De rugspieren van de niet dominante zijde zijn overontwikkeld ten op zichte van de grote rugspieren van de dominante zijde.

  13. Een hyperlordose verhoogd de kans op een stressfractuur ter hoogte van de onderrug.

  14. Een hyperlordose verkleint de zenuwopeningen waar de zenuwen naar de ledematen doorgaan en veroorzaken aldus een ‘slechte zenuwgeleiding’ tijdens inspanning met een verhoogde kans op een spierletsel ten gevolge van een ‘slecht’ neuro-musculair signaal. Als er bovendien nog slijtage ter hoogte van de tussenschijven (discus) aanwezig is wordt de kans op een spierblessure zeer reëel.

  15. Voetballers hebben een assymmetrische spierontwikkeling dewelke kleiner wordt met het aantal jaren voetbaltraining. Voetballers die in topploegen spelen vertonen dit fenomeen minder.

  16. De sprintsnelheid van voetballers wordt nauwelijks verbeterd door training, dit zowel met of zonder supervisie.


Visuele voorstelling van de droge feiten



De grote spiergroepen van de niet dominante zijde compenseren, houden in evenwicht, de grote spiergroepen vooraan van de dominante zijde. De krachtlijnen van de betrokken spiergroepen is dus van ‘ACHTER - BOVEN’, niet – dominant naar ‘VOOR -ONDER’ dominante zijde met repercussie op de stand van het bekken en loop parameters.



Trappen veroorzaakt een hypertrofie (over ontwikkeling) van de grote heupbuigers: dominant > niet - dominant. De grote heupbuiger is bevestigd ter hoogte van de voorzijde van de onderrug. Zijn functie: heupbuiger en stabilisator van de onderrug. Hij veroorzaakt zeer grote shear krachten. Bij grote spanning veroorzaakt hij een toename van de Lordose (onderrug buigt ‘door’ naar voor, de kromming van de onderrug neemt toe). De hyperlordose wordt nog groter door het onevenwicht tussen de stabiliserende grote rugspieren: M. Erector Spinae, zij trekken het bekken naar ‘boven’ aan de achterzijde en veroorzaken een toename van de lordose. Het bekken ondergaat een ‘Anterior Tilt’: het naar voor gericht zijn van het bekken aan de dominante zijde, dit gewoon op basis van een onderliggend spieronevenwicht tussen dominant en niet dominant.




Een hyperlodose houding tijdens het sporten beperkt niet alleen onze prestaties op biomechanische gronden het is ook vaak de oorzaak van ‘kleine’ ongemakken ( rugpijn, liesblessures, hamstringblessures, .. ) tot ‘grote’ ongemakken ( stressfracturen) die onze prestaties negatief beïnvloeden.


Het hoofd bepaald in grote mate de vorm en stand van de wervelkolom. Hyperextensie (het naar achteren brengen van het hoofd) veroorzaakt een ‘Chain reactie’ in de wervelkolom en versterkt de lordose. Een onderrug lordose gaat gepaard met een verhoogd risico op liesblessures ( groin pain, adductoren tendinitis, pubalgie, hamstring letsesl, ...). De beenderige structuren van de wervels komen onder zeer grote stress krachten te staan tijdens het trappen. Een achterwaartse kromming brengt de beenderige structuren in contact met elkaar met over-use letsels en mogelijke stressfracturen tot gevolg. Door de overdreven kromming die een chronische ‘ontsteking’ van de kleine ruggewrichtjes kan veroorzaken vernauwen ook de openingen waardoorheen de zenuwen naar de betrokken spiergroepen lopen. Alzo wordt een ‘ongecontroleerde’ zenuwimpuls qua actie – reactie ( agonist versus antagonist werking) naar betrokken spiergroepen gegeven met een spierblessure als gevolg (te weinig ‘stroom’ voor de nodige activiteit en te weinig neurologische controle).



Als we weten dat de tussenschijven ten gevolge intensieve belasting en ouder worden ‘inzakken’ met als gevolg een nog kleinere opening voor de uittredende zenuwwortels is de kans op steeds wederkerende spierblessures prominent aanwezig.



Conslusies

Spieronevenwicht heeft een grote invloed op onze loophouding en spiergebruik.

De samenwerking van de verschillende spiergroepen gebeurd dominant voor met niet dominant achter.


Onevenwichtige neuro-musculaire kontrole t.g.v. hyperlordosis , slijtage en vernauwing van de zenuwopeningen verergerd door een hyperlordose

Natuurlijke slijtage verhoogt dit onevenwicht en de kans op spontane spierblessures is zeer reëel.

Vinden we deze ‘droge’ wetenschappelijke feiten terug in de praktijk?




Bij analyse van klinische data van ongeveer 1000 voetbalspelers met een leeftijd tussen 8 tot 25 jaar, vallen er bepaalde zaken op:

  1. Het dominante been heeft gemiddeld een grotere spieromtrek van 1.5 cm dan het niet dominante been.

  2. De heupbuigers (psoas) van het trapbeen hebben steeds een grotere spanning en een beperktere lenigheid dan deze van de niet dominante zijde.

  3. De hamstrings en kuitspieren van het steunbeen (niet dominante zijde) hebben steeds een kleinere lenigheid en steeds een grotere spanning dan deze van het trapbeen.

  4. De kuitsperen van het trapbeen hebben altijd een grotere lenigheid dan deze van het steunbeen.

Bij verwerking van de resultaten verkregen via een Zebris loopanalyse (stap- & loopparameters, drukparameters en videoanalyse) wordt de spier assymetrie telkens bevestigd:

  1. Tijdens gewoon STAPPEN is de paslengte van het trapbeen (dominante zijde) steeds KORTER ( gemiddeld – 1.5 tot – 4.0 cm.) dan deze van het steunbeen. Dit is frappant want men zou denken dat het krachtigste been de grootste paslengte zou opleveren.

  2. Tijdens het lopen verdwijnt dit lengte verschil en worden de paslengte’s van het steunbeen en trapbeen GELIJK.

De conclusie van dit fenomeen is dat er tijdens het lopen en sprinten een compensatiemechanisme wordt aangesproken om het verschil in paslengte weg te werken.


De compensatiemechanismen en het spieronevenwicht zorgen ervoor dat we de spieren tegen of boven hun fysiologische mogelijkheden belasten met spontane blessures tot gevolg.



Het spieronevenwicht tussen het trapbeen en het steunbeen veroorzaken voor een tendens naar het ontstaan van een hyperlordose ( het naar voor en onder kantelen van het bekken voornamelijk ter hoogte van de dominante zijde). De spieren van het trapbeen ‘trekken’ door hun overwicht, hun aanwezige verhoogde spanning en hun anatomische aangrijpingspunten het bekken naar beneden aan de dominante zijde. De stabiliserende spieren, dewelke voor een dynamisch evenwicht zorgen bij het steunen tijdens het trappen ( de grote rugspieren: m.Erectae spinae) oefenen aan de achterzijde van het bekken een trekkracht uit naar boven en voor en verergeren aldus de lordose. Door de verhoogde bekkenkanteling komt de heupkop van het trapbeen dichter bij de grond waardoor de paslengte kleiner wordt dan deze van het steunbeen. Er wordt vlugger een grondcontact gemaakt daar de zwaaifaze kleiner is gezien het draaipunt ( heupen) verlaagd is en de lengte van ons been dezelfde blijft. Tijdens het lopen en sprinten treedt er een compensatie mechanisme op om het verschil in paslengte te compenseren, we streven nu eenmaal onbewust naar een symmetrie in onze bewegingen. Dit compensatie mechanisme kan er enkel in bestaan door een grotere heup hoek, een grotere buiging in de heup te generen m.a.w. het trapbeen hoger te heffen zodat er een symmetrische zwaaifaze tijdens het lopen ontstaat en de paslengte dezelfde wordt tussen rechter en linker been. Uit de literatuur weten we dat de hamstrings onder zeer grote stress komen te staan tijdens het sprinten. Vergroten van de heupbuiging brengt de spieren voorbij hun fysiologische grenzen en de kans op spontane blessures, zonder contact met een tegenstander is zeer reëel,door een overstretching van de spier boven of dicht tegen hun maximale grenzen. Samentrekken van de spieren in hoeken tegen of boven hun fysiologische grenzen ( ‘ overspanning en ‘overrekking’) resulteert in blessures.


Met optredende vermoeidheid wordt de kans op een letsel nog vergroot.

Een hyperlordose vernauwt de zenuwopeningen waardoor een slecht neurologisch signaal kan optreden ten gevolge irritatie en ‘afklemming’ van de betrokken zenuw. Bijkomend is er de natuurlijke slijtage van de tussenschijven waardoor de wervels dichter bij elkaar komen en de zenuwopeningen nog meer verkleinen. Er worden tijdens het lopen en trappen zeer grote krachten uitgeoefend op de wervelkolom. Een overdreven bekkenkanteling tezamen met een verminderde hoogte van de tussenschijven is een oorzaak van een steeds wederkerend spierletsel op basis van een chronische zenuwirritatie.

Welke feiten vinden we in de wetenschappelijke literatuur over de trainingsvormen die we geven ter blessurepreventie?

Er wordt momenteel zeer veel ingezet in blessurepreventie door het inbouwen van verschillende trainingsvormen, tal van andere sporten worden geconsulteerd om van onze voetballers betere atleten te maken. CORE stabiliteit is één van de hot topics in ons streven naar preventie. We moeten ons de vraag durven stellen of alle oefeningen die we inbouwen wel zo adekwaat en zo effectief zijn als we denken en of we ze juist interpreteren en toepassen volgens wetenschappelijke feiten en simpele biomechanica?


De wetenschap vermeldt reeds in 1993 dat we door verkeerde interpretatie en een verkeerd idee achter bepaalde oefeningen meer blessures veroorzaken dan dat we blessures voorkomen.


BrJ Sp Med 1993; 27(4)

Flexibility and posture assessment in relation to hamstring injury

L. Hennessy and A. W. S. Watson Sports Injuries Research Centre, University of Limerick, Limerick, Ireland

Further, Watson found that the degree of lumbar lordosis increased during the course of two seasons in games players. Kicking and executing abdominal strengthening exercises with straight legs have been identified as possible contributory causes of lordosis5"19. The anatomical reason seems to be that the iliopsoas muscle group is primarily involved in kicking and straight leg raising or straight leg sit-up exercises and contributes to strengthening this muscle'.Therefore, it is possible that certain athletic activities and training methods which exacerbate postural defects may also predispose the player into injury …


De meest recente studies hebben, door moderne middelen, de functie en de werking van de verschillende spiergroepen betrokken bij de rompstabiliteit ontrafeld, gebruiken we deze kennis dan ook in de praktijk?

Om het concept CORE stabiliteit te begrijpen is het essentiëel dat we de functie, de rol die de verschillende spiergroepen uitoefenen in het bekomen van deze gecoördineerde activiteit kennen. De CORE spieren worden geäctiveerd vooraleer een beweging van de benen wordt ingezet.

CORE stabiliteit focust op het BEHOUD en het VERKRIJGEN van een OPTIMALE romppositie en een NEUTRALE STAND van BEKKEN en ONDERRUG gedurende sportactiviteiten en deze ook te behouden zodat er symmetrisch dynamische evenwichten ontstaan tussen de verschillende spieren betrokken in de sportactiviteit. De neutrale stand van de rug ten op zichte van het bekken is een essentie om blessures te voorkomen en om maximale snelheid en kracht te kunnen ontwikkelen binnen de natuurlijke grenzen.

In de wetenschap is er meer en meer consensus dat er ‘verschillende’ vormen van rompstabiliteit bestaan elk met hun eigen specificiteit en functie:


  1. Stabilisatie en behoud van de neutrale stand van bekken t.o.v. onderrug ( voor – achterwaartse stabiliteit).

  2. Algehele rompstabiliteit behouden terwijl het lichaam onderhevig is aan externe factoren eigen aan de sportbeoefening en bewegings & activiteitsverloop ( richtingsverandering, duwen, springen …).



1. Voor & Achterwaartse stabiliteit:



Tijdens lopen en trappen wordt de voor & achterwaartse stabiliteit bekomen door de samenwerking van de rechte buikspieren en de bilspieren.


De rechte buikspieren beginnen aan het borstbeen en eindigen ter hoogte van het schaambeen waar ze via een spierfascia verbonden zijn met de adductoren. Hun werking is het buigen en strekken van de romp, en het behoud van de neutrale stand van het bekken t.o.v. de onderrug tijdens sporten. Stabiliteit wordt steeds bekomen door de samenwerking van verschillende spiergroepen (synergie). Het behoud van de neutrale stand (voor-achterwaartse stabiliteit) wordt bekomen door de synergie tussen de Gluteus Maximus, en de rechte buikspieren. De Gluteus spiergroep stabiliseert de romp boven het steunbeen en duwt het bekken naar voor. Hun samenwerking zorgt voor het in stand houden van de neutrale stand. Hun focus is bekken-rug neutraliteit en zij bepalen in hoge mate de hoek dewelke het bekken t.o.v. de onderrug maakt (lordose).

2. ‘Veralgemeende‘ Rompstabiliteit



De dwarse, schuine buikspieren en grote rugspieren behouden de rompstabiliteit tijdens sportactiviteiten. Ze behouden stabiliteit tijdens bewegingsveranderingen, lopen trappen, sprinten, vallen etc..




De buikspieren hebben als functie tijdens het sporten van de romp en bekken een stijve cilinder te maken die kan weerstaan aan externe krachten. De thoraco-lumbale fascia verbindt de bovenste rompsegmenten met de onderste ledematen ( rechts voor & onder met links achter & boven en omgekeerd). De fascia is ook verbonden met de dwarse en schuine buikspieren en verstevigd aldus de stijve cilinder van de romp tijdens activiteit.

3. Psoas functie


De functie van de ileopsoas is sinds zeer lange tijd een studie onderwerp in de literatuur met verschillende controversiële meningen.

Men is het er nu over eens dat de Psoas verschillende functies heeft en kan uitoefen, zoals ook de verschillende ‘packs’ van de m. Rectus Abdominus een dubbele bezenuwing bezitten en hierdoor onafhankelijk van elkaar kunnen werken. Enerzijds heeft de psoas als functie de heup te buigen ( been te heffen) en anderzijds de onderrug – bekken overgang te stabiliseren. De psoas oefent zeer grote krachten uit op het bekken en de onderrug en bij verkorting of samentrekking veroorzaakt de psoas een hyperlordose van onderrug en bekken en het naar voor kantelen van het bekken.



Als er met het rechter been getrapt wordt, zet de rechter psoas te trapbeweging in gang door de heup te buigen. De linker psoas compenseert deze enorme kracht door samen te trekken en om alzo het bekken en onderrug te stabiliseren voor de enorme krachten die vrijkomen en voor een dynamisch evenwicht tussen actie en reactie te zorgen. Hierbij veroorzaakt de psoas enorme trekkrachten uit op de onderrug met de tendens een hyperlordose te veroorzaken en te vergroten. Hoe groter de initiële kromming van de onderrug is, hoe groter de psoas de onderrug in hyperlordose brengt (het is moeilijker een rechte staaf te buigen, dan een staaf die al geplooid is verder te buigen).

4. Wat zegt de wetenschap over rompstabiliteitstraining ?


De literatuur is eensgezind over het feit dat een goede rompstabiliteit, lichaamsproprioceptie en een goed en regelmatig uitvoeren van specifieke oefeningen blessurepreventief werken. De literatuur is er ook van overtuigd dat het verkeerd aanleren of verkeerd uitvoeren van bepaalde oefeningen blessures in de hand werken en onderhouden.

Het wetenschappelijk idee achter de ontwikkeling van rompstabiliteit is het behoud van een neutrale stand tussen rug en bekken tijdens de sportactiviteit, het behoud van een goede romphouding en een optimale krachtoverdracht over de betrokken lichaamshelften tijdens activiteit met als doel: minder blessures.

  1. Kicking verhoogt de hyperlordose met een verhoogde kans op spierblessures.

  2. Buikspieroefening met een gestrekt been principe en sit-ups trainen voornamelijk de Ileopsoas en verhogen de kans op spierblessures.

  3. Plank oefeningen trainen voornamelijk de ileopsoas.

  4. Statische oefeningen brengen weinig bij tot de algehele rompstabilisatie.

  5. De Side Bridge is de meest efficiënte oefening voor algehele rompstabiliteit.

  6. Onstabiele, vrije oefeningen die verschillende gewrichten aanspreken zijn zeer efficiënt voor rompstabiliteit en dienen ingebouwd te worden in dagdagelijkse trainingen.

  7. CORE oefeningen dienen in functie van de sport gekozen te worden.

  8. CORE stabilisatie oefeningen met een bal zijn niet efficiënter dan deze zonder bal.

  9. CORE stabilisatie dient erop gericht te zijn om een maximale neuro-musculaire Controle te verwerven in een dynamische setting.

Wat brengen we hiervan in de praktijk terecht?

De Plank




Belangrijk in de pre-setting is de hoofd positie. De stand van het hoofd bepaalt in hoge mate de kromming van de rug. In hyperextensie, ‘naar achter’ gericht veroorzaakt het een spontane overkromming voorwaarts en neerwaarts (hyperlordose) ter hoogte van onderrug en bekken. We trainen dan de spieren in hoeken die we niet willen hebben.



Geeft deze oefening in deze setting een meerwaarde aan voetbal, aan blessurepreventie, aan voor-achterwaartse CORE stabiliteit?


Het antwoord is simpel maar we moeten het onder ogen durven zien: NEE, de oefening in deze setting, zoals hier uitgevoerd, veroorzaakt blessures, zo simpel is het.


Training is zeer specifiek, wat we trainen ontwikkelen, verstevigen en verbeteren we. De plank oefening is gericht op het ontwikkelen op een isometrische versteviging van de voor & achterwaartse stabiliteit ten einde een neutrale stand te bekomen en te behouden van bekken en onderrug om niet in een hyperlordose te sporten. De uitgangspositie dient dus een neutrale stand van rug en bekken te zijn en de spieren die dit ondersteunen in deze hoeken te trainen en te verstevigen.


Als we even rustig naar de uitgangspositie zien van de oefening hier gepresenteerd zien we als uitgangshouding een HYPERLORDOSE. Deze houding is de natuurlijke houding indien we vertrekken van deze positie. Het waarom is simpel: de facetgewrichten ter hoogte van de onderrug zijn naar voor en achter gericht en bieden geen enkele steun tegen de natuurlijke zwaartekracht op het scharnierpunt van rug en bekken. De zwaartekracht is hier maximaal naar onder gericht. De spier die in deze houding voor stabilisatie zorgt tussen bekken, rug en benen is de Ileopsoas, het is de omgekeerde beweging van de straight leg raise oefening maar dan isometrisch. We trainen en fixerend de psoas dus in hyperlordose houding. Een houding die we nu juist niet willen tijdens het sporten daar we weten dat een verhoogde krachtwerking van de psoas een hyperlordose veroorzaakt en nefast is voor blessures. Voetbal accentueert al een verhoogde spanning ter hoogte van de psoas en wij gaan ze nog wat verhogen door deze oefening. Tevens is het basis idee van CORE stability een neutrale rug en bekken stand bekomen en behouden.

Wat trainen we op deze manier: een gefixeerde hyperlordose tijdens het sporten, we verhogen dus de kans op blessures zoals in de literatuur beschreven wordt.

Een kleine aanpassing maakt in deze een wereld van verschil.


Door onze houding aan te passen brengen we ons bekken – onderrug in een neutrale stand en wordt de psoas uitgeschakeld ter stabilisatie. De psoas maakt nu een hoek in een neutrale stand en wordt aldus getraind in de gewenste hoek en actieradius. De rechte buikspieren worden nu belast en getraind in de hoeken dewelke we nodig hebben voor het behouden van een neutrale houding tijdens sprinten en trappen. De inwerkende neerwaartse krachtvectoren verkleinen door het verkleinen van de krachtarmen die inwerken op het lichaamszwaartepunt.


Side bridge



De side bridge blijkt één van de meest efficiënte oefeningen te zijn voor rompstabilisatie daar er voornamelijk de grote buik en rugspieren, verantwoordelijk voor de ‘algehele’ rompstabiliteit getraind worden. De oefening activeert de schuine, dwarse en grote rugspieren om de houding in stand te houden en bij te dragen tot training van de rompstabilisatie. Ze dient echter correct uitgevoerd te worden anders mist ze totaal zijn doel, dikwijls zijn het kleine details die het effect en de outcome van een oefening bepalen.

  1. De voeten mogen niet op elkaar liggen. Bij deze houding komen alle neerwaartse krachten ter hoogte van één enkel gewrichtsbandje van de onderste knie terecht met zeer hoge kans op een overuse letsel van de buitenste stabiliserende gewrichtsband van de knie. Bij steunen op beide voeten wordt deze kracht evenredig verdeelt over beide knieën.

  2. Er dient een actieve opwaartse spanningsboog aanwezig te zijn. Het lichaam dient een ‘opwaartse’ kromming te vertonen om de betrokken spieren tot een maximale contractie te dwingen. Kracht van de stabiliserende spiergroepen is meer bepalend dan uithouding voor een stabiliserend effect.


Het enige nadeel, mocht er sprake zijn van een nadeel van deze oefening, is dat het een statische oefening betreft. Voetbal en sporten is een dynamisch gegeven en vergt een voortdurende neuro-musculaire bijsturing en een groot lichaamsbesef in de ruimte. Een automatisering zonder nadenken.


Bal oefeningen


Oefeningen met een bal zouden het dynamische aspect in de CORE stabilisatie binnenbrengen. We kunnen ons de vraag stellen of we wel zinvolle stabiliteit veroorzaken en ons afvragen welke spieren we voornamelijk trainen en wat we induceren. Elke sport heeft zijn eigen specifieke vereisten, we moeten ons dan ook steeds de vraag stellen: welke meerwaarde heeft een oefening voor het beoefen van onze sport ? De literatuur geeft aan dat bal oefeningen niet het mekka of de grote meerwaarde toevoegen aan CORE stabiliteit, enkel dat er meer andere spieren gerecruteerd worden om de beoogde houding in stand te houden en om het ‘onevenwicht’ dewelke de bal veroorzaakt in stand te houden waardoor de beoogde spiergroep minder kracht ontwikkeld en minder specifiek getraind wordt.



Statisch versus dynamisch


Het idee achter de CORE oefeningen volgens de wetenschap is het behoud van een neutrale stand tussen rug en bekken, het ontwikkelen van een six pack is dus niet de focus. Een six pack kan het gevolg zijn van CORE oefeningen maar is niet het doel an sich van CORE oefeningen.


Door het behoud van een neutrale stand verkleinen we de kans op blessures zeer reëel en kunnen onze ledematen maximaal functioneren binnen hun natuurlijke grenzen zodat strains en spierblessures voorkomen kunnen worden, wat het idee achter ROMP stabilisatie en proprioceptie is.


De wetenschappelijke studies geven aan dat er nood is aan het ontwikkelen van een dynamische rompstabiliteit wat ook logisch is, voetbal is geen statisch gebeuren. Golfers en baseball batters blijken het grootste voordeel te hebben uit de CORE stability oefeningen zoals ze nu gepropageerd worden. Moeten we daarom onze invalshoek is niet durven te herzien?


Hoe gaan we over van een statische training naar een dynamische training met respect voor de ideale hoeken ? Gewoon door van een stabiel evenwicht met een groot steunvlak over te gaan naar een labiel evenwicht met een klein steunvlak en een groot deel van ons probleem is opgelost.


Een mogelijkheid: de wereld anders aanschouwen dan dat we gewoon zijn.


Door het aannemen van een kaarshouding verkrijgen we een klein steun oppervlak met de grootste hefboom boven het lichaamszwaartepunt en is er een labiel evenwicht gecreëerd hetwelk voortdurende bijsturing nodig heeft om de houding te behouden. Een bijkomend voordeel van dit soort oefeningen is dat het hart tegen de zwaartekracht in moet werken en we dus ook een cardio-vasculaire training inbouwen. De proprioceptieve input en het concentratievermogen worden eveneens zwaar op de proef gesteld. Tevens worden al krachten over de verschillende spiergroepen en gewrichten verdeeld. Er wordt op deze manier dynamiek in het CORE gebeuren gebracht en het doel, het idee van rompstabiliteit wordt optimaal benadert in een dynamische setting.







Dit soort oefeningen benaderen het meest ideale model vooropgesteld door de wetenschap voor een dynamisch karakter van CORE stabilisatie. Ze verenigen in zich concentratie, dynamische isometrische stabiliteit, kracht en lenigheid.


Lijken deze oefeningen futuristisch of irreëel ? Of zien we toch een gelijkenis, een idee?

Nog een mogelijkheid voor het bekomen van dynamische stabilisatie: het Tai Chi principe her-inbrengen in onze trainingsvormen.


De wetenschap heeft veel tijd en geld geïnvesteerd in de zoektocht naar blessurepreventie en in de zoektocht naar het ontwikkelen van ideale oefeningen om blessures te voorkomen en om een dynamische stabiliteit te verwerven. Van alle trainingssessies die ik bijgewoond heb, heb ik van deze gefundeerde oefeningen er weinig of geen zien terug komen in de praktijk, mischien omdat we ze niet kennen of mischien omdat de theoretische uitleg moeilijk te interpreteren valt of omgezet kan worden naar de praktijk. Het zijn oefeningen die we overnemen uit andere sporten enkel lijkt de perceptie en uitvoering oubollig en niet van deze tijd waarin snelheid primeert. Men kan echter een beweging maar in snelheid correct uitvoeren als men ze in traagheid heeft ingeoefend om een perfecte techniek te bekomen zodat ze geautomatiseerd wordt en in snelheid op automatische piloot kan uitgevoerd worden.




De sprongoefeningen (side-hop, horizontal hop, loopdrills …) worden vaak (altijd) uitgevoerd met de klemtoon op snelheid van uitvoering waardoor het idee van de oefening vaak verloren gaat en men vervalt in het ongecoördineerd uitvoeren van een oefening zonder de correcte techniek en zonder het idee achter de oefening mee te nemen. De sprongen, ladderoefeningen worden praktisch nooit geoefend volgens het Tai Chi principe, traagheid, voelen en concentratie: traagheid van uitvoering, aannemen van de juiste positie vooraleer men actie onderneemt, het voelen van het lichaam tijdens de uitvoering en CONCENTRATIE op het ‘voelen’ van de beweging. De traagheid van uitvoering en een correcte uitvoering is volgens de wetenschap DE sleutel tot succes.


Door het enthousiasme en snelheid van uitvoeren zien we vaak weer de verkeerde hoeken van uitvoering optreden. Het idee van de oefeningen ‘verdwijnt’ omdat er nog geen correcte techniek van uitvoering in de motoriek is ingebouwd waardoor bij verhogen van snelheid van uitvoering de kans op blessures zeer groot is . In alle sporten is de opwarming, de hoofdbrok van de training. Tijdens de opwarming wordt er met grote concentratie de juiste techniek ingeoefend, cfr. alle technische sporten: sprinten, golf, tennis, schermen, … de klemtoon ligt tijdens de opwarming op het herhalen van de techniek, zoeken naar de juiste lichaamsperceptie om maximaal te kunnen presteren tijdens de training en het maximale van de training in een juiste lichaamssetting er uit te halen. De techniek wordt geoefend door traagheid en ontspanning in te voeren. Er wordt voortdurend verbaal gecorrigeerd, de oefeningen worden geobserveerd door de medeatleten. Door de voortdurende correctie en ‘het zien’ van de fouten van de medeatleten wordt de juiste houding motorisch sneller en beter ingebouwd. Gezien het dynamische karakter van voetbal wordt de ‘traagheid’ vaak vergeten en de klemtoon gelegd op snelheid van uitvoeren en dash.


Een slechte afstoothoek of landingshoek veroorzaakt grote krachten op spieren en gewrichten met blessures tot gevolg



In de wetenschappelijke literatuur is er een grote eensgezindheid dat een correcte techniek en een correct aanleren van de verschillende oefeningen DE hoeksteen is om blessures te voorkomen. Men mag oefeningen allerhande uitvoeren zonder de juiste techniek en correcte biomechanisch verhoudingen van uitvoeren zijn ze zinloos en veroorzaken ze blessures in plaats van ze te voorkomen.


Hoe bekomt men in de atletiek de neutrale ideale houding ? Nemen we dit idee mee in onze loopoefeningen en rompstabiliteit?


Geaccentueerde bekkenkanteling, evenwicht, lenigheid en kracht vervat in 1 oefening.

We zijn ervan overtuigd dat een goede looptechniek ons spel ten goede komt, dat een goede looptechniek ons sneller maakt en blessure preventief werkt.We weten dat we daar specifieke oefeningen voor kunnen doen.De loopoefeningen uit de atletiek en andere sporten worden dan ook ingebouwd in onze trainingssessies. Hak- bil, been inzetten, skippen, grijpen naar de grond, voorvoet contact zoeken etc.; termen die ik hoor tijdens de looptrainingen en die allemaal correct zijn.Het enige wat ik nooit hoor is het idee achter deze oefeningen.Hoe dat een sprinter de ideale sprinthouding zoals voorgesteld door de wetenschap benadert, wat er dient te gebeuren VOOR de oefening gestart wordt.Het antwoord is zeer simpel:VOOReen oefening gestart wordt dient er een VOORSPANNING opgewekt te worden ter hoogte van derechte buikspierenen degrote bilspieren. Een loopoefening tijdens de opwarming in de atletiek wordtSTEEDSvoorafgegaan door enkele actieve bekkenkantelingen naar voor uit te voeren.Te voelen welke spieren werken en deze aan te spannen zodat we zeker starten met een neutrale bekkenstand.Er wordt ook gezegd het hoofd niet ‘achteruit’ te kantelen tijdens de oefening maar te proberen het neutraal of iets naar voor te houden, simpele zaken maar vaak vergeten. Deze simpele richtlijnen ontbreken veel ( of altijd) te vaak tijdens de loop en ladderdrills.



De spiervoorspanning en bekkenkanteling naar voor zijn de essentie in de loopoefeningen zoals overgenomen uit de atletiek. Ze zorgen voor een neutrale stand tijdens de sprint. Een neutrale bekken en onderrug verhouding zorgen voor maximale bewegingsbogen van de onderste ledematen binnen de fysiologische grenzen. De maximale sprintsnelheid gekoppeld aan een dynamische stabilisatie kan bekomen worden met een inbouw van blessure preventie.

Kunnen we met deze beperkte theoretische kennis een blessure verklaren die zich praktisch voordoet ?

Het antwoord op deze vraag is vrij simpel: ja we kunnen een gefundeerd mechanisme van een spontane blessure voorleggen. Het is gewoon toepassen van de informatie die de wetenschap ons verschaft. Het probleem daarna is: wat doen we ermee en welke conclusies trekken we?


Wat vertelt de wetenschap ons over de invloed van het assymmetrische spel voetbal:


  • Er is een verhoogde spanning aanwezig ter hoogte van de ileopsoas van het teapbeen waardoor het bekken naar onder en achter getrokken wordt ( anterior tilt).

  • Er is een verhoogde spanning ( hypertrofie) van de onderste sixpack van het trapbeen aanwezig, de aanhechting van de sixpack is ter hoogte van het schaambeen ( lies).

  • Er is een anterior tilt ( naar voor en onder gericht bekken) ter hoogte van het trapbeen aanwezig. Het schaambeen kantelt dus mee naar achter. De buikspieren worden dus uitgerokken daar ze vasthechten aan het schaambeen.

Beide fenomenen veroorzaken een nog grotere voorspanning op de rechte buikspieren onderste segment. Het is te vergelijken met een rekker die reeds strak aangespannen is en nog meer wordt uitgerokken. De fysiologische grenzen van de spier worden reeds bereikt en dit zonder nog maar actief te zijn of enige invloed van moeheid te kennen.

  • De tackle met gestrekt been wordt ingezet. De ileopsoas is verantwoordelijk voor het opheffen van het gestrekte been. Door de krachtige samentrekking van de psoas wordt het bekken nog meer naar achter getrokken. De rechte buikspier reageert als antagonist, hij probeert het bekken tijdens de actie te stabiliseren ( actie – reactie krachten die een geheel vormen en samenwerken ). Daar de six pack al tegen zijn fysiologisch werkbare grenzen aanzit kan de spier niet weerstaan aan de grote krachten uitgeoefend door de psoas: Een verrekking & spierscheur & groin pain & adductoren… letsel is een droog feit.


Beschouwingen



Als we kijken naar de cijfers van de blessures kunnen we niet anders oordelen dat we niettegenstaande verbeterde trainingstechnieken en modaliteiten we er blijkbaar niet in slagen de blessure percentages te verlagen. We moeten ons dan ook vragen durven stellen over onze trainings methodiek en manier van aanleren.


We moeten ons ook bewust zijn van de grote spierassymetrie die het voetbalspel teweeg brengt en gericht gaan trainen om dit onevenwicht weg te werken zodat we een symmetrische spierontwikkeling kennen, werken op onze zwakheden dus en niet alleen versterken van onze sterke kanten.


Een correcte techniek van stabilisatie-, trap-, sprint-, spring - … blijken primordiaal te zijn in blessurepreventie. Mischien moeten we onze trainingen herbekijken en teruggrijpen naar basic principles. Het Tai Chi principe kan ons hier bij helpen. Mischien moeten we ook wat kritischer worden ten op zichte van bepaalde oefeningen en ons meer de vraag stellen: wat brengen ze ons bij? welk voordeel hebben ze voor ons fysiek welzijn? Bv. heeft een diepe squat nut voor onze prestaties op het veld? Nee, er is geen enkele sprong of start die vertrekt vanuit deze positie. Het trainen van een diepe squat is goed voor gewichtheffers daar zij die beweging doen voor hun sport, voor ons heeft die geen enkel nut. Trainen van een diepe squat veroorzaakt de grootste krachten op rug en knieën en dus een zeer hoge kans op blessures, verder brengt het ons geen meerwaarde.


Uit de literatuur blijkt dat onze sprinttraining in voetbal weinig of geen verhoogde snelheid genereert, of er nu een trainer instructies geeft of niet, de sprintsnelheid vergroot bijna niet. We moeten ons dan ook afvragen hoe dit mogelijk is.


Talent kan enkel ontluiken en doorgroeien als dit talent kan blijven trainen. Blessures fnuiken talenten en breken hun groei en mogelijkheden. We moeten dan ook alles inzetten op het blessurevrij houden van onze talenten en mischien voor ons zelf wat kritischer zijn en niet zomaar nieuwe trends volgen zonder ze te evalueren en diepgaand uit te testen via allerhande kanalen.


Waarom behoren Bale en Ronaldo tot de snelste voetballers ter wereld en waarom zijn ze zo weinig gekwetst? Als we kritisch alle foto’s en beelden analyseren kunnen we niet anders dan zeggen dat zij het ideale sprintmodel benaderen. Tijdens hun, loopactie’s met of zonder bal zijn en blijven ze in evenwicht en behouden ze neutraliteit. Ze overschouwen het veld met een neutraal hoofd, praktisch nooit verliezen ze hun stabiliteit of vervallen ze in een hyperextensiepatroon. Hoe dit komt ? Misschien voelen zij dit van nature zo aan, misschien begrijpen zij beter de biomechanische wetten van een oefening. Misschien trainen ze anders, wie zal het zeggen. Feit is en blijft ze benaderen in hun spel praktisch het ideale theoretische model zoals voorgesteld door de wetenschap. Kijk en beleef het zelf.

Literature


The Journal of Experimental Biology 215, 1944-1956 © 2012. Published by The Company of Biologists Ltd doi:10.1242/jeb.064527

RESEARCH ARTICLE:

Muscular strategy shift in human running: dependence of running speed on hip and ankle muscle performance

Tim W. Dorn, Anthony G. Schache and Marcus G. Pandy* Department of Mechanical Engineering, University of Melbourne, Victoria 3010, Australia *Author for correspondence to (pandym@unimelb.edu.au)

Biology Open (2014) 3, 689–699 doi:10.1242/bio.20148284

RESEARCH ARTICLE:

Kinematics of transition during human accelerated sprinting

Ryu Nagahara1,*, Takeo Matsubayashi2, Akifumi Matsuo3 and Koji Zushi1

Journal of Human Kinetics volume 36/2013, 149-160 DOI: 10.2478/hukin-2013-0015 149  Section III – Sports Training

A Kinematics Analysis Of Three Best 100 M Performances Ever

by Maćkała Krzysztof¹, Antti Mero²

BrJ Sp Med 1993; 27(4)

Flexibility and posture assessment in relation to hamstring injury

L. Hennessy and A. W. S. Watson Sports Injuries Research Centre, University of Limerick, Limerick, Ireland

Journal of Athletic Training 2012;47(4):390–395 doi: 10.4085/1062-6050-47.4.04 by the National Athletic Trainers’ Association, Inc www.nata.org/journal-of-athletic-traininoriginal research

Influence of Hip-Flexion Angle on Hamstrings Isokinetic Activity in Sprinters

Kenny Guex, MSc, PT*‡; Boris Gojanovic, MD†; Gr ´ egoire P. Millet, PhD‡

Joint Torques Affect Hamstring Injury Risk in Sprinting Swing–Stance Transition

YULIANG SUN1, SHUTAO WEI1, YUNJIAN ZHONG2, WEIJIE FU1, LI LI1,3, and YU LIU1 1Key Laboratory of Exercise and Health Sciences of the Ministry of Education, Shanghai University of Sport, Shanghai, CHINA; 2School of Education, Nanchang University, Nanchang, CHINA; and 3Department of Health and Kinesiology, Georgia Southern University, Statesboro, GA

J Sports Med Phys Fitness. 1995 Dec;35(4):289-94.

Sports injuries in footballers related to defects of posture and body mechanics.

Watson AW

Systematic review of core muscle activity during physical fitness exercises.

Martuscello JM1, Nuzzo JL, Ashley CD, Campbell BI, Orriola JJ, Mayer JM

Published in final edited form as: Ann Biomed Eng. 2005 March ; 33(3): 391–401.

J Sports Med Phys Fitness. 1995 Dec;35(4):289-94

Sports injuries in footballers related to defects of posture and body mechanics.

Watson AW

Soccer Attenuates the Asymmetry of Rectus Abdominis Muscle Observed in Non-Athletes

 Journal of Human Kinetics volume 42/2014, 51-61 DOI: 10.2478/hukin-2014-0060 51  Section I – Kinesiology

Sprint Conditioning of Junior Soccer Players: Effects of Training Intensity and Technique Supervision

ThomasHaugen1,2*,EspenTønnessen1,ØyvindØksenholt3,FredrikLieHaugen3, GøranPaulsen1,3,EysteinEnoksen3,StephenSeiler2NorwegianOlympicSportsProgram(Olympiatoppen),Sognsveien228,0840Oslo,Norway,2Facultyof HealthandSportSciences,UniversityofAgder,Gimlemoen25,4630Kristiansand,Norway,3Norwegian SchoolofSportSciences,Sognsveien220,0806Oslo,Norway

Lower Back Symptoms in Adolescent Soccer Players Predictors of Functional Recovery

Talib Shah,* MBBS, MRes, David J. Cloke,* MSc(Sports Med), FRCS(Tr&Orth), Steven Rushton,* PhD, Mark D.F. Shirley,*† PhD, and David J. Deehan,*‡§|| MD, MSc, FRCS(Tr&Orth) Investigation performed at Newcastle University, Newcastle upon Tyne, UK

Groin pain syndrome: an association of different pathologies and a case presentation

Gian Nicola Bisciotti1 Alessio Auci2 Francesco Di Marzo3 Roberto Galli4 Luca Pulici5 Giulia Carimati5 Alessandro Quaglia5 Piero Volpi51 Kinemove Rehabilitation

Reducing muscle injuries and reinjuries in one italian professional male soccer team

Gianluca Melegati1 Davide Tornese1 Maurizio Gevi2 Alessandro Trabattoni3 Grazia Pozzi4 Herbert Schonhuber5 Piero Volpi6

1 Rehabilitation I Unit, Center for Sports Rehabilitation, IRCCS Galeazzi Orthopaedic Institute, Milan, Italy 2 Sports Medicine Unit, S.Anna Hospital, Como, Italy 3 Visconti di Modrone Medical Center, Milan, Italy 4 Imaging Department, IRCCS Galeazzi Orthopaedic Institute, Milan, Italy 5 Sports Traumatology and Arthroscopic Surgery Unit, IRCCS Galeazzi Orthopaedic Institute, Milan, Italy 6 Knee Surgery and Sports Traumatology Unit, Istituto Clinico Humanitas IRCCS, Milan, Italy

Systematic review of core muscle activity during physical fitness exercises.

Martuscello JM1, Nuzzo JL, Ashley CD, Campbell BI, Orriola JJ, Mayer JM

Published in final edited form as: Ann Biomed Eng. 2005 March ; 33(3): 391–401.

Human Lumbar Spine Creep during Cyclic and Static Flexion: Creep Rate, Biomechanics, and Facet Joint Capsule Strain

Jesse S. Little and Partap S. Khalsa Department of Biomedical Engineering, Stony Brook University, T18-Rm 030, Stony Brook, NY 11794-8181

Effect of Leg Dominance on The Center-of-Mass Kinematics During an Inside-of-the-Foot Kick in Amateur Soccer Players

by Matteo Zago1, Andrea Francesco Motta2, Andrea Mapelli1, Isabella Annoni1, Christel Galvani3, Chiarella Sforza4

BrJ Sp Med 1993; 27(4)

Flexibility and posture assessment in relation to hamstring injury

L. Hennessy and A. W. S. Watson Sports Injuries Research Centre, University of Limerick, Limerick, Ireland

Received 23 June 2015 Revised 17 November 2015 Accepted 28 November 2015

We have the programme, what next? Planning the implementation of an injury prevention programme Alex Donaldson,1 David G Lloyd,2 Belinda J Gabbe,3 Jill Cook,4 Caroline F Finch11Australian Centre for Research into Injury in Sport and its Prevention (ACRISP), Federation University Australia, Ballarat, Victoria, Australia 2Centre for Musculoskeletal Research, Menzies Health Institute Queensland, Griffith University, Queensland, Australia 3Department of Epidemiology and Preventive Medicine, Monash University— Epidemiology and Preventive Medicine, Monash University The Alfred Centre, Melbourne, Victoria, Australia 4Monash University, Melbourne, Victoria, Australia

Is the psoas a hip flexor in the active straight leg raise?

Hai Hu • Onno G. Meijer • Jaap H. van Diee ¨n • Paul W. Hodges • Sjoerd M. Bruijn • Rob L. Strijers • Prabath W. B. Nanayakkara • Barend J. van Royen • Wen Hua Wu • Chun Xia

Eur Spine J (2011) 20:759–765 DOI 10.1007/s00586-010-1508-5

How Joint Torques Affect Hamstring Injury Risk in Sprinting Swing–Stance Transition

YULIANG SUN1, SHUTAO WEI1, YUNJIAN ZHONG2, WEIJIE FU1, LI LI1,3, and YU LIU1 1Key Laboratory of Exercise and Health Sciences of the Ministry of Education, Shanghai University of Sport, Shanghai, CHINA; 2School of Education, Nanchang University, Nanchang, CHINA; and 3Department of Health and Kinesiology, Georgia Southern University, Statesboro, GA

Influence of Hip-Flexion Angle on Hamstrings Isokinetic Activity in Sprinters

Journal of Athletic Training 2012;47(4):390–395 doi: 10.4085/1062-6050-47.4.04 by the National Athletic Trainers’ Association, Inc www.nata.org/journal-of-athletic-trainin original research

Kenny Guex, MSc, PT*‡; Boris Gojanovic, MD†; Gr ´ egoire P. Millet, PhD‡

INVITED CLINICAL COMMENTARY ATHLETIC PUBALGIA AND ASSOCIATED REHABILITATION

Abigail A. Ellsworth, PT, DPT, CSCS, CPS1 Mark P. Zoland, MD2 Timothy F. Tyler, MSPT, ATC3

Core Stability Training for Injury Prevention

Kellie C. Huxel Bliven, PhD, AT,*† and Barton E. Anderson, MS, ATC, AT

Ultrasound measurement of the size of the anterior tibial muscle group: the effect of exercise and leg dominance

Karen McCreesh*† and Sinead Egan

ORIGINAL RESEARCH

Use of a Functional Movement Screening Tool to Determine Injury Risk in Female Collegiate Athletes

Rita S. Chorba, PT, MSPT, MAT, ATC, CSCSa David J. Chorba, MSEd, MAT, ATC, CSCSb Lucinda E. Bouillon, PhD, PTc Corey A. Overmyer PT, MPT, OCSd James A. Landis, MD, PhD, CSCSe

Kinematic and temporal interactions of the lumbar spine and hip during trunk extension in healthy male subjects

Stephan Milosavljevic Æ Poonam Pal Æ David Bain Æ Gillian Johnson

Eur Spine J (2008) 17:122–128 DOI 10.1007/s00586-007-0487-7

Biomechanics of Degenerative Spinal Disorders

Justin A. Iorio1, Andre M. Jakoi2, Anuj Singla3 1Department of Orthopedic Surgery, Hospital for Special Surgery, New York, NY, USA 2Department of Orthopedic Surgery Spine Center, University of Southern California, Los Angeles, CA, USA 3Department of Orthopedic Surgery, University of Virginia, Charlottesville, VA, USA

Injury risk factors, screening tests and preventative strategies: a systematic review of the evidence that underpins the perceptions and practices of 44 football (soccer) teams from various premier leagues

Alan McCall,1,2 Chris Carling,2,3 Michael Davison,4 Mathieu Nedelec,1,2 Franck Le Gall,2 Serge Berthoin,1 Gregory Dupont1,2

McCall A, et al. Br J Sports Med 2015;49:583–589. doi:10.1136/bjsports-2014-09410

Disturbed Paraspinal Reflex Following Prolonged FlexionRelaxation and Recovery

Ellen L. Rogers and Kevin P. Granata, PhD From the Musculoskeletal Biomechanics Laboratories, Department of Engineering Science and Mechanics, School of Biomedical Engineering and Science, Virginia Polytechnic Institute and State University, Blacksburg, VA.

Published in final edited form as: Spine (Phila Pa 1976). 2006 April 1; 31(7): 839–845.doi:10.1097/01.brs.0000206361.53451.c7.

Lower limb strength in professional soccer players: profile, asymmetry, and training age Konstantinos Fousekis 1,2

, Elias Τsepis 2 and George Vagenas 1 1 Quantitative Analysis & Kinesiology Research, Department of Physical Education & Sports Science, University of Athens, Greece, 2 Biomechanics and Sports Injuries Laboratory, Department of Physiotherapy, Technological Educational Institute of Patras, Branch Department of Aigion, Greece

©Journal of Sports Science and Medicine (2010) 9, 364-373 http://www.jssm.org

Jarvinen TA, Jarvinen TL, Kaariainen M, Kalimo H, Jarvinen M. Muscle injuries: biology and treatment. Am J Sports Med. 2005;33(5):745–64.

Ekstrand J, Hagglund M, Walden M. Epidemiology of muscle injuries in professional football (soccer). Am J Sports Med. 2011;39(6):1226–32.

Borowski LA, Yard EE, Fields SK, Comstock RD. The epidemiology of US high school basketball injuries, 2005-2007. Am J Sports Med. 2008;36(12):2328–35.

Feeley BT, Kennelly S, Barnes RP, Muller MS, Kelly BT, Rodeo SA, et al. Epidemiology of National Football League training camp injuries from 1998 to 2007. Am J Sports Med. 2008;36(8):1597–603.

Orchard J, Seward H. Epidemiology of injuries in the Australian Football League, seasons 1997-2000. Br J Sports Med. 2002;36(1):39–44.

Alonso JM, Junge A, Renstrom P, Engebretsen L, Mountjoy M, Dvorak J. Sports injuries surveillance during the 2007 IAAF World Athletics Championships. Clin J Sport Med. 2009;19(1):26–32.

Influence of Hip-Flexion Angle on Hamstrings Isokinetic Activity in Sprinters

Kenny Guex, MSc, PT*‡; Boris Gojanovic, MD†; Gr ´ egoire P. Millet, PhD‡,Journal of Athletic Training 2012;47(4):390–395

How Joint Torques Affect Hamstring Injury Risk in Sprinting Swing–Stance Transition

YULIANG SUN1, SHUTAO WEI1, YUNJIAN ZHONG2, WEIJIE FU1, LI LI1,3, and YU LIU1 1Key Laboratory of Exercise and Health Sciences of the Ministry of Education, Shanghai University of Sport, Shanghai, CHINA; 2School of Education, Nanchang University, Nanchang, CHINA; and 3Department of Health and Kinesiology, Georgia Southern University, Statesboro, GA

Muscular strategy shift in human running: dependence of running speed on hip and ankle muscle performance

Tim W. Dorn, Anthony G. Schache and Marcus G. Pandy* Department of Mechanical

engineering, University of Melbourne, Victoria 3010, Australia

Accepted 13 February 2012

Mann and Sprague, 1980; Mero et al., 1992; Harland and Steele, 1997; Novacheck, 1998; Coh et al., 2001; Prampero et al., 2005

Hunter et al. (2004) and Bezodias et al. (2008), research investigating the relative importance of developing a long stride length.

Mann and Herman (1985), Ae et al. (1992) and Bezodias et al. (2008) suggested that SF was a more important

65 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven